Dubbelliefde (paperback)
Adriaan van Dis
HET BOEK
- BESTELLEN
Een scholier bereidt zich voor op het toelatingsexamen van de toneelschool, hij denkt dat hij iedereen kan spelen, iedereen kan zijn. Hij waant zich een dichter, wil zich door de schoonheid laten leiden en groots en meeslepend leven. Opgejut door de roerige tijd, kotst hij op de burgerij: als hij zich tegen één ding verzet, is het wel het makke-schapenleven. Uit de rij en kont tegen de krib - stoere taal voor een jongen die zich door zijn vader heeft laten knechten. Onfatsoen en lust zoekt hij, de waarlijk vrije mens laat zich niet langer onderdrukken.
Dubbelliefde is behalve een beklemmende roman, die diep graaft en de bodem van het bestaan verkent, ook een bitter vrolijk boek.
De pers over Dubbelliefde: De overtuigende beschrijving van een jongen die gevangen zit in zijn eigenliefde maakt van Dubbelliefde een volmaakte studie in narcisme. Een met enorme vaart en precieze timing geschreven portret met prachtige en soms hilarische scènes. - DE VOLKSKRANT Compleet, innemend en gruwelijk. - HET PAROOL Ik heb veel gelachten tijdens het lezen van Dubbelliefde. [...] Aan de ene kant leest Dubbelliefde als een schelmenroman, vrolijk en anekdotisch, alles gesteld in helder Hollands. Aan de andere kant is het een donkere, compact vertelde geschiedenis die noodt tot lezen en herlezen. - DE GROENE AMSTERDAMMER Het Amsterdam van de jaren zestig en zeventig wordt in Dubbelliefde op even smeuïge als karikaturale wijze neergezet. [...] Van Dis is hier als schrijver op zijn best. - HP/DE TIJD Magistrale roman! - MICHAEL ZEEMAN
Ton Anbeek DE MYTHE VAN DE DOORGESNEDEN DUBBELMENS In het Symposion van Plato komt een verhaal voor dat grote indruk heeft gemaakt op latere generaties. Het gaat om de passage waarin een van de disgenoten vertelt hoe de eerste mensen eruit zagen. Er bestonden niet twee, maar drie geslachten: het mannelijk, het vrouwelijk en een derde waarin die twee ‘samengingen’. Die vorm bestaat niet meer in de realiteit; alleen de naam kennen wij nog: androgyn. Niet alleen was er een derde geslacht, de mensen van alle drie de geslachten zagen er ook heel anders uit. Dan volgt een uitgebreide beschrijving. Om een beeld te vormen is het misschien het beste uit te gaan van een Michelinmannetje, want de romp was helemaal rond. Verder hadden ze elk vier armen, vier benen en op de ronde hals zaten twee gelijke gezichten die in tegengestelde richting keken. Maar deze twee gezichten vormden de beide zijden van één hoofd. Om het aanschouwelijk te maken moet men zich dus een Michelinmannetje met een Januskop voorstellen. Of om precies te zijn: Michelinmannetjes met een Januskop, Michelinvrouwtjes met twee vrouwengezichten, en een Michelingeslacht met vrouwen- plus mannenhoofd, het androgyne type. Verder hadden deze wezens twee paar oren en twee geslachtsorganen (bij het androgyne type twee verschillende natuurlijk). Ze konden net als de mensen nu gewoon lopen, maar zich ook buitelend voortbewegen, waarvoor wij in het Nederlands de term ‘radslag’ hebben. Het spreekt vanzelf dat je op die manier met vier armen en vier benen een behoorlijke snelheid kon ontwikkelen. Misschien mede daardoor waren deze oervormen nogal bijdehand en trots. In ieder geval bedreigden ze de goden en wilden die zelfs te lijf gaan, zodat Zeus en de andere Olympiërs moesten ingrijpen. De straf die de goden verzonnen was chirurgisch: alle dubbelmensen werden doormidden gesneden. Dat lukte, maar zoals vaker bij diepgaande medische ingrepen was men niet voorbereid op de psychische gevolgen van deze drastische lichamelijke veranderingen. De twee helften van elk paar zochten elkaar namelijk zo snel mogelijk op en grepen elkaar vast ‘vol van verlangen weer ineen te groeien’. En zo omstrengeld stierven ze van honger en verwaarlozing. Zeus liet nogmaals een anatomische correctie toepassen: hij verplaatste de geslachtsorganen. De voortplanting was bij deze oerwezens een dermate ingewikkelde zaak geweest, met die acht ledematen, dat er geen coïtus plaatsvond maar het zaad door de mannetjes op de grond gestort werd, ‘net als bij de krekels’. Het voordeel van het nieuwe arrangement was dat een man de vrouw met wie hij ooit een eenheid gevormd had nu ook intern kon bevruchten en dat de mannen die ooit een manlijk dubbelpaar waren geweest nu ook plezier met elkaar konden maken (van de lesbische liefde, die in deze voorstelling onvermijdelijk volgt waar een dubbelvrouw is doorgesneden, is in deze dialoog alleen terloops sprake). Ieder van ons nu is op zoek naar de helft die bij hem/haar past - het Nederlandse woord ‘wederhelft’ drukt dat prachtig uit. Wanneer die zoektocht succes heeft is het resultaat een explosie van ‘aanhankelijkheid, verwantschap en liefde’. De symbiose berust op meer dan louter seksuele begeerte, het gaat om het herstel van de oorspronkelijke eenheid. Of zoals het wezen van de liefde in de dialoog kort wordt samengevat (in de vertaling van Koolschijn): ‘Dat verlangen nu, dat jagen naar het hele, wordt liefde genoemd.’ Die zin vormt het motto van het derde deel in Adriaan van Dis’ roman Dubbelliefde, waarin de mythe van de doorgesneden dubbelmens uitgebreid wordt weergegeven. Ik stap nu over op twee moderne Nederlandse romans maar kom later terug op Plato’s Symposion waarover nog lang niet alles is gezegd. Roman, sprookje, mythe Het oeuvre van Cees Nooteboom is rijk aan verwijzingen. Zijn roman In Nederland (latere drukken heten In de bergen van Nederland ) bevat een prachtige omschrijving van het verschijnsel dat in de moderne literatuurwetenschap ‘intertekstualiteit’ heet: ‘Schrijven bestaat uit het geschrevene anders groeperen, er zitten altijd honderd schrijvers in je hand, ook al weet je of wil je het niet.’ De tekst van In Nederland kent twee niveaus die elk verbonden zijn met het genre sprookje. Op het eerste niveau, in het kaderverhaal, stelt de ik-verteller zich voor als Tiburón, een Spanjaard die in Delft heeft gestudeerd en daardoor het Nederlands goed beheerst. Hij begint zijn verhaal zo: ‘Er was eens een tijd die volgens sommigen nog steeds voortduurt. In die tijd was Nederland veel groter dan nu.’ En inderdaad, het Koninkrijk der Nederlanden, zo blijkt uit het vervolg van de tekst en uit de geografische tekening op de achterflap, heeft een groot zakvormig aanhangsel ter hoogte van de Balkan. Al snel wordt duidelijk dat de plot sterke overeenkomsten vertoont met een sprookje van Andersen, namelijk ‘De sneeuwkoningin’. Tiburón heeft wel een paar elementen aangepast. Bij Andersen heten de hoofdpersonen Kaj en Gerda; in de bewerking wordt dat ‘Kai en Lucia’ (‘Gerda’ klonk mogelijk wat te burgerlijk in de oren van de romanticus Tiburón). Ingrijpender is een andere wijziging: bij Andersen gaat het om twee kinderen, bij de Spanjaard worden dat twee beeldschone volwassenen, wat de verteller de mogelijkheid geeft een erotisch element aan het verhaal toe te voegen. Kai en Lucia vormen het toonbeeld van volmaakte schoonheid en ze zijn ook nog eens volmaakt gelukkig met elkaar. Een modelpaar dus. In dit verband valt al snel de naam van Plato, die door de hele roman heen terugkeert. Tiburón houdt veel van deze filosoof en leest ‘steeds opnieuw dezelfde dialogen, die me nooit vervelen’. En tot die dialogen moet ook zeker het Symposion behoren, want naar die tekst wordt expliciet verwezen. Over het volmaakte liefdespaar Kai en Lucia wordt gezegd dat ze de belichaming vormen van ‘een platonisch idee’. Ze maken op het publiek waarvoor ze als illusionisten optreden de indruk ‘dat het hier eerder met één dan met twee mensen te doen had (…). Twee als een, twee helften die elkaar zoeken, vinden, zo niet worden, al sinds het banket van Plato een wensdroom die hier op de een of andere manier zichtbaar of op zijn minst aangeduid werd.’ Wanneer ze elkaar vervolgens kwijtraken gaan ze op zoek naar hun wederhelft. Tiburón noteert: ‘De wederhelft die ontbreekt, we zijn weer bij Plato.’ In een van de laatste hoofdstukken van het boek wordt de verwijzing verder uitgewerkt. Tiberón blijkt er zich goed van bewust te zijn dat hij niet de eerste is die Plato’s Symposion in een romantekst verwerkt. Eerder deden dat de Tsjech Kundera en de Spanjaard Eugenio d’Ors. Tiburón, die in een oude school zijn verhaal schrijft, komt dan opnieuw tot een aardig beeld van intertekstueel schrijven: ‘We zitten hier nu met zijn vijven in mijn klaslokaal, Plato, Kundera, d’Ors, Andersen en ik’. Hij citeert uitvoerig uit het werk van zijn beide hedendaagse collega’s om te laten zien dat ze een eigen wending geven aan de aloude doorgesneden-dubbelmensmythe. Hun bewerkingen roepen de vraag op: wat wil Nooteboom nu met de tekst uit deze dialoog van Plato? Opmerkelijk is dat de twee geliefden Kai en Lucia geen psyche meekrijgen, ze worden nadrukkelijk eendimensionaal neergezet. Het gaat Tiburón niet zozeer om de twijfels, het verlangen, de verleidingen van dit tweetal dat in de loop van het verhaal gescheiden raakt. Veel belangrijker dan zulke elementen van de plot zijn de overwegingen van Tiburón. Uiteindelijk blijkt het hem te doen om een onderzoek naar vormen van fictie. Het resultaat daarvan wordt in het hoofdstuk waarin ook de drie collegaschrijvers aanschuiven in het klaslokaal als volgt samengevat in een typische Nooteboom-meditatie: ‘Mythes zijn voorbeelden, romans zijn beelden, sprookjes zijn geliefde leugens die mensen vertellen die het in de mislukte mythe van het leven niet uit kunnen houden.’ Nootebooms dubbelganger vertelt een sprookje van Andersen met in de hoofdrol een ideaal paar gemodelleerd naar de mythe die in het Symposion voorkomt en hij doet dat om het niet-realistische verhaal te bestuderen. De grap is dat hij zelf ook alleen in zo’n sprookjeswereld bestaat, zoals de eerste zin van de roman duidelijk aangeeft. Als hij aan het eind van het boek op het schoolplein gehinkeld heeft (lees: weer kind is geworden) en buiten adem gaat zitten staat er: ‘En ik zat daar nog lang en gelukkig.’ Tiburón kan alleen in een denkbeeldige wereld het geluk vinden. De Griekse beginselen Ook in Dubbelleven van Adriaan van Dis komt de mythe uit het Symposion ter sprake. Maar deze roman is zeker geen meditatie over vormen van fictie, maar de ‘geschiedenis van een jongeman’ zoals de ondertitel al aangeeft. Een coming of age-verhaal dus, met een hoofdpersoon die eigenlijk over alles onzeker is: zijn standpunten, zijn toekomst en vooral ook zijn seksuele identiteit. Functioneert in Nootebooms boek de Symposion-mythe als een voorbeeld van niet-realistisch vertellen, bij Van Dis krijgt de tekst een plaats binnen het motief ‘Griekenland’, dat zowel met politieke keuze als seksuele identiteit te maken heeft. Zo bezoekt de hoofdfiguur graag een Grieks café waar hij mannen met mannen ziet dansen. Getrouwde mannen, maar als de drank de overhand krijgt houden ze elkaar met een gestrekte arm vast en knippen met de vingers van hun andere hand op de maat van de muziek: ‘Ze knipten alle vrouwen uit hun leven.’ De hoofdfiguur wordt uitgenodigd mee te doen en hij denkt: ‘De geest van Plato danste tussen ons.’ En dan volgt er een uitgebreide weergave van de mythe van de doorgesneden dubbelmens. De hoofdfiguur legt een direct verband tussen de deelnemers aan Plato's gastmaal die er naast een plichtmatig huwelijksleven een veel enerverender homoseksuele relatie op na hielden en de dansers in het café: ‘De moderne Grieken dachten er nog steeds zo over.’ Deze zin, die in één stap vierentwintig eeuwen moet overbruggen, typeert mogelijk de naïveteit van de jonge hoofdpersoon. Datzelfde geldt voor zijn bijdrage aan een actiegroep die protesteert tegen het kolonelsregiem dat op dat moment in Griekenland aan de macht is. Ook hier legt de hoofdfiguur een verband met Plato. De reactie van een linkse timmerman is voorspelbaar: ‘Plato, Plato, ja, daar zitten ze in de Griekse gevangenis op te wachten.’ Het lukt niet Plato in te schakelen in het politieke debat en ook als raadgever bij problemen rond seksuele identiteit brengt de filosoof geen oplossing. De mythe van de doorgesneden dubbelmens is de hoofdfiguur tegengekomen bij zijn ‘leestocht over homoseksualiteit’ en hij typeert het als ‘een troostend verhaal van Plato’. Toch blijft het onduidelijk welke troost die mythe hem nu in feite biedt, want hij voelt zich niet de helft van een oorspronkelijke mannenman (zoals je zou verwachten). Eerder identificeert hij zich met het androgyne type: ‘beide helften zaten nog steeds in mij, ik was rond. Man én vrouw gingen in mij samen (…). Ik liet me niet in één rol duwen: ik kon allebei zijn’. Een interessante variant op de mythe die in het Symposion verteld wordt. Daar dient het verhaal om te verklaren waarom de Eros zo’n allesbeheersende macht over ons uitoefent: wij zijn allemaal op zoek naar de helft met wie wij oorspronkelijk een eenheid vormden. Maar Van Dis’ hoofdpersoon heeft daarbij een bijzonder probleem: was die ander een man of een vrouw? Voor biseksuelen is er geen plaats in de mythe die op het gastmaal verteld wordt en daarom weet de hoofdfiguur van de roman Dubbelliefde niet waar hij het moet zoeken. Terug naar de bron Nooteboom en Van Dis gebruiken het Symposion-verhaal maar zij passen het in binnen de problematiek waar hun roman over gaat. Nooteboom mediteert over fictievormen, Van Dis illustreert er de seksuele verwarring van een adolescent mee. De doorgesneden dubbelmens-mythe laat kennelijk ruimte aan twee zulke volkomen verschillende interpretaties. Voeg daarbij de verwerkingen waarnaar Nooteboom in zijn roman verwijst en er zijn er nog heel wat meer (zie bij voorbeeld Hunter, Plato’s Symposium): Nooteboom en Van Dis bevinden zich dus in goed gezelschap. De mythe van de doorgesneden dubbelmens heeft uiteraard veel prestige gekregen omdat hij verbonden is met de naam Plato. Toch is het sterk de vraag of het hier om ideeën gaat die werkelijk Plato’s visie op de liefde weergeven. Het is immers niet Socrates die in het Symposion het verhaal vertelt, maar een andere gast: Aristofanes. Zowel Nooteboom als Van Dis vermelden dat gegeven, maar verbinden geen consequenties aan het feit dat het hier om de bekende komedieschrijver gaat. Toch is een eerste factor die de interpretatie van het Symposion compliceert dat in een van diens toneelstukken, De Wolken, de filosoof Socrates uitvoerig belachelijk wordt gemaakt. Uit een opmerking in de Apologie blijkt dat Socrates die komedie zelfs medeverantwoordelijk acht voor de slechte naam die hij binnen de Atheense samenleving heeft gekregen. Belangrijker nog dan deze achtergrondinformatie zijn de concrete aanwijzingen die we in de tekst van de dialoog zelf vinden. Zo valt het op dat Aristofanes in zijn eerste bijdrage aan het gesprek meent te moeten meedelen dat hij gisteren is doorgezakt. Een komedieschrijver met een kater, het is een opmerkelijke introductie. Als hij later het woord krijgt, moet hij eerst zijn beurt voorbij laten gaan omdat hij ‘door een te volle maag of wat dan ook plots de hik (heeft) gekregen’. Ook deze opmerking geeft al aan dat we ons met hem in de sfeer van het ridicule bevinden. Martha Nussbaum spreekt naar aanleiding van deze hikaanval van ‘the most absurd of sub-human noises’. Wanneer de komedieschrijver dan eindelijk, uitgehikt en wel, het woord neemt, wordt hij meteen onderbroken door een gast die opmerkt: ‘Pas op je woorden, m’n waarde Aristofanes. Je bent nog niet begonnen met je betoog of je gaat al op de grappige toer.’ Aristofanes kan daarom lachen: ‘Ik ben zelf al bang voor wat ik ga betogen. Niet omdat het iets grappigs wordt – dat zou pure winst zijn, helemaal eigen aan mijn Muze – maar omdat het volstrekt belachelijk kan uitpakken.’ Uit zulke passages blijkt dat de aanwezigen iets grappigs van hem verwachten, net zoals het publiek dat naar zijn toneelstukken kwam kijken. Er zijn dus genoeg indicaties die aangeven dat we de bijdrage van Aristofanes op moeten vatten als een conference en dat gebeurt dan ook veelal in de vakliteratuur. Zo noemde Bury de voordracht ‘a masterpiece of grotesque fantasy worthy of Rabelais himself’. Wie dus de mythe van de doorgesneden dubbelmens presenteert als een verhaal dat Plato’s mening over de liefde weergeeft, snijdt Aristofanes' voordracht los uit zijn contekst. Wanneer de mythe van de doorgesneden dubbelmens zonder restricties aan Socrates/Plato wordt toegeschreven zou je dat een mislezing kunnen noemen. Maar het gaat dan wel om een aanvechtbare interpretatie die een grote creatieve kracht blijkt te bezitten. Beknopte bibliografie R.G. Bury, The Symposium of Plato (Cambridge 1932). R. Hunter, Plato’s Symposium (Oxford 2004). G. Koolschijn, Plato, schrijver (Amsterdam 1998). M.C. Nussbaum, The Fragility of Goodness (Cambridge 1989). Plato, Alkibiades. Symposion, vertaald door H. Warren en M. Molegraaf (Amsterdam 1997).