Nieuws

René Appel in gesprek met Adriaan van Dis over zijn taal

In zijn in 1997 verschenen verhaal ‘Een waarze sat’ (dat we moeten lezen als ‘Een zware tas’) schrijft Adriaan van Dis: “Taal was mijn grootste struikelblok.” Dat is een nogal opvallende bekentenis voor een auteur die geroemd wordt om zijn fraaie en zorgvuldige hantering van de Nederlandse taal, in zowel woord als geschrift. Waarom vormde de taal zo’n probleem? “Het ging vooral om spelling”, zegt Van Dis. “Ik heb al jong schrijflessen gehad, omdat mijn vader het idee had dat ik met zo’n voorsprong makkelijk een klas over zou kunnen slaan. Dat leren schrijven ging met de liniaal, en die liniaal had een dubbele functie. Ik moest er de lijntjes mee trekken waarbinnen ik letters moest overtrekken of schrijven, en als ik dat niet goed deed, sloeg mijn vader me met datzelfde hulpstuk.”

Van Dis heeft nog altijd problemen met sommige individuele letters. De neiging om een b als d te schrijven, blijft lastig te onderdrukken. Veel woorden hebben een weerbarstige vorm. “In een woord als misschien domineren die twee s’en, en dus schrijf ik vaak bij voorbaat smischien. Of een woord als acquisitie. Ik heb niet het flauwste vermoeden hoe ik dat moet spellen, omdat de q er voor mij uitspringt. Die letter is het symbool voor dat woord. Als ik in een woordenboek dan zo’n woord ga opzoeken, kijk ik bij de q, wat me uiteraard niet veel verder helpt. Een kreupele speller zoals ik heeft dan ook ontzettend veel baat bij een spellingprogramma op de computer, hoewel zelfs zo’n programma de lettersalade die ik opgetikt heb voor acquisitie niet herkent, zodat de correcte vorm ook niet als suggestie op het scherm verschijnt.”

Contrast
Ongeveer vijf jaar woont Van Dis nu in Parijs, en zijn dyslexie zorgt ervoor dat ook het geschreven Frans hem vaak hoofdbrekens bezorgt . “Zo’n woord als quincaillerie, ijzerhandel, ik kan het uitspreken als de beste, maar de spelling bleef nooit hangen, en zoek ik het op in het woordenboek dan verstopt het zich. Ik lees veel Frans, maar kennelijk wil het woordbeeld zich niet in mijn geheugen vastzetten. Je zult mij niet een Frans briefje zien achterlaten in een hotel. Mensen zouden er waarschijnlijk niets van begrijpen.”

Als het om taal gaat, is er een groot contrast tussen Van Dis’ visuele geheugen en zijn auditieve geheugen. “Ik onthoud van alles wat ik hoor, vaak hele of halve zinnen, die ik vervolgens ook weer makkelijk kan gebruiken. Dat is ook het fundament voor mijn redelijke beheersing van andere talen. Een paar weken in Italië, en ik praat mijn eigen toeristen-Italiaans: Niente problema a communicare!”

Schrijftaal vormde dus een lastige barrière. Maar dat tekort compenseerde Van Dis met theater: de mondelinge taal als spel, het gesproken woord om het schoolplein te vermaken en om de slechte cijfers te maskeren. Juist de botsing tussen de mondelinge en de schriftelijke taal was vormend voor zijn taalbewustzijn. “Al jong was ik een enorme prater, met waarschijnlijk voor mijn leeftijd een grote woordenschat. Ik was altijd aan het woord, wat me ook veel tikken met de liniaal heeft opgeleverd. Ik kon niet stilzitten, wilde van alles vertellen. Ik maakte grapjes met rijmwoorden, en zonder me op de borst te kloppen, kan ik zeggen dat ik nog altijd heel vaardig kan rijmen.”

Spelling
Spelling bleef op school een struikelblok. Zozeer dat hij als enige van zijn klas naar de mulo moest – een school die hij geruisloos voltooide. Uit het hoofd leren en stampen paste de spelblinde leerling. Maar daarna, op de Hilversumse hbs, werd de schrijflat weer hoger gelegd, zo hoog dat Van Dis regelmatig plat op zijn gezicht ging. Leerkrachten zagen in hem veel eerder een verbale brekebeen dan een woordkunstenaar: “Hoe je het schreef was belangrijker dan wat je schreef. Daarom besloot ik ook om Nederlands te gaan studeren – om het artistieke natuurlijk, om Gorter te lezen met een rode foulard over de schouder. Niet om Chomskyaanse bomen te tekenen of marxistische taaltheorieën te doorgronden. Alleen schaamde ik me zó dat ik het niet tegen mijn leraar Nederlands durfde te zeggen. Je kracht in je tekort zoeken, de psychiater Alfred Adler schreef daarover. De verlegene die acteur wordt, de hoogtevrezer piloot. Zo is mijn passie voor taal uit een tekort ontstaan. Misschien ben ik wel uit schrijfvrees schrijver geworden.”

Wat Van Dis betreft zou elke spellingwijziging uit den boze moeten zijn, zeker ook de recente. “Mensen als ik raken er alleen maar meer door in de war. Als ik al die gespelde woorden die zich met zoveel moeite in mijn geheugen hebben geëtst telkens moet herzien, word ik nog onzekerder. Als het om spelling gaat, ben ik zonder meer conservatief. Eigenlijk zou ik ook liever hebben dat er nog bosch zou worden geschreven en niet bos. Het eerste is bovendien veel dichter en ruiger begroeid dan het tweede; dat is niet meer dan een met bomen beplant aangeharkt stuk land. En vacantie is beslist een aangenamer woord dan vakantie, minder nat ook. Ach, het zijn allemaal puur persoonlijke associaties.”

En de werkwoordspelling met zijn beruchte d’s, dt’s en t’s, hoe moeilijk is die voor Adriaan van Dislexie, (zoals hij zichzelf spottend noemt, al heeft hij een hekel aan dat modewoord). “Als ik schrijf, zijn dat details waar ik me niet mee bezighoud. Voor mij gaat het om klank en ritme, en zo’n dt is een zorg voor later. Pas als er staat wat ik wil zeggen, laat ik meester Pennewip voor de correcties toe.”

Vrijtaal
In 2003 mocht Van Dis als gastredacteur een aflevering van het literaire tijdschrift Optima samenstellen over het door hem gemunte begrip ‘vrijtaal’. Wat is vrijtaal? “Dat is een taal die een zekere vrijheid geeft om te experimenteren, nieuwe vormen te kiezen, en het slaat ook op een taal die ontstaan is door het tegen elkaar aanwrijven van talen, zoals het Afrikaans, maar ook het Petjoh, het Indo-dialect dat tegen het Maleis aan vree en dat mijn vader graag en goed sprak. Het Surinaams-Nederlands is ook zo’n in de zon gebakken Nederlands. Ik was een keer in Suriname, en hield daar een lezing voor een school. Na afloop zei de directeur tegen mij: ‘Mijnheer Van Dis, u bent een grappige jas.’ Zoiets vind ik prachtig. Zo trekt het cliché zich los uit de klei en krijgt het elfenvoetjes.”

Van Dis spreekt zelf echt Algemeen Beschaafd Nederlands, en misschien nog wel keuriger dan dat. (“Laatst las ik in de Volkskrant dat alleen de koningin en ik nog zo raar praten.”). Tegelijkertijd heeft hij veel waardering voor dialecten, bijvoorbeeld het West-Fries van zijn jeugd in Bergen. “Met de dichteres Neeltje Maria Min, die ook uit die streek afkomstig is, praat ik vaak West-Fries.”Ook allerlei non-standaard verschijnselen en vormen van taalmenging vindt hij niet problematisch. “Ik sta open voor alles, al was het maar uitverzet tegen het rangen-en-standenmilieu waarin ik ben opgegroeid. ‘Taartje’ en niet ‘gebakje’ zeggen. ‘WC’ en niet ‘toilet’. ‘Das’ en nooit, maar dan ook nooit: ‘stropdas’. Anders hoorde je bij de arbeiders. Heel mijn taal is uit tegenstand gevormd, en niet altijd even consequent: ik praat bekakt uit verzet tegen het Indisch accent van thuis, ik zoek de lyriek omdat ik huiver van botteriken en ik probeer zo helder mogelijk te schrijven omdat ik complexe kronkelzinnen slecht begrijp. Ik ben een taalliberaal, zeg maar taalglibberaal. Maar ik vind wel dat een nieuwslezer geen fouten mag maken. De radionieuwsdienst zou de voorbeeldige standaard moeten zijn waar we persoonlijk allemaal van mogen afwijken. Maar ja, ook daar is de kromtaal doorgedrongen: ‘Vandaag waren er op de weg minder problemen als gisteren.’ Zo’n mededeling – van een autoriteit – doet me toch pijn aan de oren.”

Voor een te sterke invloed van het Engels op het Nederlands is hij niet bang. “De taal is levend, en vernieuwt zich steeds weer; nieuwe woorden worden ingepast in het Nederlands. Ik ben geen cultuurpessimist als het om taal gaat, hoewel veel mensen dat misschien wel van mij zouden verwachten.”

Afrikaans
Van Dis heeft een speciale taalliefde opgevat voor het Afrikaans. Zonder dat Afrikaans zou hij nooit schrijver zijn geworden, zegt hij. “In het Afrikaans zeggen ze ‘Ons skryf soos ons praat’, en dat probeer ik ook te doen. De spelling van het Afrikaans is simpel, en dat is natuurlijk mooi meegenomen, maar het is vooral een lenige taal, een gekleurde taal met een poëtische zeggingskracht, zoals je kunt zien in het werk van onder anderen Breyten Breytenbach en Antjie Krog. Dat geldt ook voor het Afrikaans van de straat. Veel Afrikaners hebben er hoorbaar plezier in de grenzen van hun taal op te rekken. Eens hoorde ik een werkster zeggen: ‘Die bed lê gelaken’ (‘het bed ligt opengeslagen’). In het Nederlands zul je dat niet snel horen; het zou aanstellerig klinken.”

Van Dis erkent dat hij mogelijk zichzelf heeft wijsgemaakt dat zijn eigen stijl beïnvloed is door het Afrikaans, maar misschien vond hij er wel de durf om af te wijken, om “woorden ongewoon samen te ballen”. En wat zijn dan de kenmerken van die eigen stijl? “Poëtisch, maar ook direct, helder en concreet. Ik gebruik relatief simpele zinnen, met weinig bijzinnen of inbeddelingen en nauwelijks metaforen. Ik zou nooit iets schrijven als: ‘De man zat als een knoestig blok hout op een stoel die als een robuust relict uit tijden van ooit hartstochtelijk omhelsde welvaart in een schemerhoek van de kamer was blijven staan, terwijl zijn ogen als twee kleine vuurkarbonkels priemden.’ Ik schrijf wel beeldend, maar zonder beeldspraak. Ik zoek een gepeperde, bijzondere manier van zeggen, terwijl dat ongewone de lezer niet dwars mag zitten, zijn oog moet niet blijven haken aan een bijzonder woord of een speciale uitdrukking.’

Nachtkastje
Het is bijna alsof er een directe lijn is van Van Dis’ taalvermogen naar het papier of het toetsenbord van zijn computer. “Als ik over mijn spellingproblemen schrijf: ‘Schrijven was schamen’, dan denk ik niet op voorhand na over zo’n alliteratie. Het woord schrijven roept bij mij kennelijk het woord schamen op. Ik zit niet te construeren. De hand gehoorzaamt aan de stem in mijn hoofd.”

De relaties tussen woorden berusten op de vorm én op de inhoud, vandaar ook een mooie zin als ‘Een hoek verder ruikt hij de hitte en smelt zijn verzet.’ “Ja,” zegt Van Dis, “het woord hitte heeft voor mij allerlei associaties, en één ervan is ‘smelten’. Zonder dat ik daarover nadenk, ontstaat er dan zo’n zin. Het is grotendeels onbewust en ‘s nachts gaat dat gek genoeg ook door. De eerste versie van een verhaal of een roman schrijf ik op een blocnote en dat leg ik altijd op mijn nachtkastje. Dan word ik af en toe midden in de nacht wakker, en weet ik dat er ergens een verkeerde zin staat. Het klopt altijd!”

De mondelinge taal blijft een sterke invloed houden. “Het ritme en het metrum van mijn zinnen komt vanzelf, maar pas als ik mijn eigen tekst hardop lees, kan ik die echt goed beoordelen. Dan verander ik ook van alles. En eigenlijk wil ik wel blíjven veranderen, schaven, polijsten. Uit de voorlaatste versie van mijn jongste roman De wandelaar zijn nog ruim honderd bladzijden geschrapt, en ook nu het af en gedrukt is, ben ik er eigenlijk nog niet mee klaar. Het is maar goed dat ik een uitgever heb, die mij op een gegeven moment het manuscript uit de handen trekt. Anders wandelde mijn hoofdpersoon, mijnheer Mulder, nu nog altijd door Parijs.”

Uit: Onze Taal, 2007, nr. 7/8, p. 192-194
Copyright c 2007 René Appel

Tags: