Nieuws

Interview Elisabeth Lockhorn in Vrij Nederland

Hij wenst zich niet te scharen onder de Nederlanders die hun land verlaten hebben en om twaalf uur ‘s middags, terwijl ze net bij de kiosk een Telegraaf hebben gekocht, een fles rosé opentrekken en dan gaan kankeren over Nederland.

Nee, Adriaan van Dis (60) maakt stijlvol om halfzeven ‘s avonds een fles champagne open om de lof te zingen van Parijs. Geen Nederlandse snier komt hem over de lippen.

Sinds vier jaar woont Van Dis in het zesde arrondissement. Een eikenhouten trap leidt naar zijn etage vier hoog. Een klein smaakvol appartement met Hollandse duinlandschappen aan de muren. Het portret van een streng ogende Baudelaire kijkt vanuit de boekenkast uit op de werktafel.’De keuze voor het zesde arondissement is voortgekomen uit mijn status van man alleen,’ zegt van Dis. ‘Ik wilde me niet al te verloren voelen. Het zesde leek me een mooi vertrekpunt voor mijn wandelingen. Als ik nu zou moeten kiezen, zou ik misschien een andere keuze maken. Het zesde is wel erg residentieel, en zeer arrivé. Voor jonge mensen is het hier onbetaalbaar. Huizen doen tienduizend euro de vierkante meter. Dat is twee, bijna drie keer zo duur als Amsterdam. Een glas wijn kost op een terras tien euro. Misschien had ik in het twintigste moeten gaan wonen. Daar ligt de veranderende stad. Niet in deze museale buurt.’

Bijna veertig jaar koesterde Adriaan van Dis de wens om in Parijs te gaan wonen. Diverse keren probeerde hij het, huurde een studio, maar het bleven halfslachtige pogingen. Op de vraag waarom het dit keer wel lukte, zegt hij: ‘Dat had alles te maken met mijn psychoanalyse in Nederland die meer dan acht jaar duurde.’ Barst ineens uit in welluidend gezang: ‘Elke morgen, om halfacht, als de zon opgaat, fiets ik weg uit de smalle straat. Naar het brede plein, doet geen pijn… Ik nam me voor: als op een dag de wonden geheeld zijn, als er een inzicht is gekomen, al is het maar een inzicht van een verzinsel, dan ga ik op reis. In die zin lijkt een analyse erg op godsdienst. Een mens heeft een verhaal nodig om mee voort te gaan. Een verhaal dat hij zelf moet maken. Mijn eerste reis voerde me naar Polynesië. Ouderwets met een rugtasje van nog geen negen kilo. Ik was heel gelukkig. Toen ik terugkwam, dacht ik: maar ik hoef helemaal niet in Nederland te blijven, ik kan zo weer weg. En zo koos ik eindelijk voor Parijs.

Weinig mensen beseffen dat Parijs de grootste Afrikaanse stad is buiten Afrika. In la Goutte d’Or achter het Gare du Nord bestaat een stukje Afrika met levende kippen en waarzeggers waar je in het zand gedroogde vis kunt kopen. Ik vind het fantastisch om daar tussen te zitten op vrijdagmiddag en een glaasje te drinken in een van die cafés. Geuren op te snuiven, mee te kijken, ze een beetje af te luisteren. Ik hou van mijn anonieme bestaan in Parijs. Geniet van mijn onzichtbaarheid. Niemand weet dat ik Repelsteeltje heet met heel grote oren. Als ik in Amsterdam de geuren opsnuif van de nieuwe cultuur is er altijd wel iemand achter me die zegt: “Meneer Van Dis, ik heb erg genoten van uw programma’s.” Dat bestaat hier niet. Alleen in de herfstvakantie is er af en toe een roodhoofdige Hollander die zegt: “Ha, Adriaan!”

Ik vind de omgang met de medemens niet altijd eenvoudig. Ik gedraag me ogenschijnlijk heel gemakkelijk in een grote kring, praat als een diplomaat drie minuten met die en vier minuten met die. Maar de waarheid is dat ik dat kan omdat ik tien minuten niet opbreng. Van mijn angst heb ik mijn kracht gemaakt. Mensen zijn over het algemeen zeer grofstoffelijk. Trappen zonder dat ze het weten veel kapot. Ze hebben vaak een beeld van elkaar dat ze opslaan en meenemen. Aan die indruk moet je jaren later nog steeds voldoen terwijl je zelf allang bent gegroeid en voortgegaan. Ik heb ooit eens een keer verteld dat ik bonbons op brood at, dunne plakjes op wit brood, zalig. Maar zoiets gaat een heel eigen leven leiden. Dus mag ik nog steeds na een optreden voor een literaire club een doos bonbons in ontvangst nemen, terwijl ik inmiddels in geen vijftien jaar meer bonbons heb gegeten, sterker nog, eigenlijk helemaal niet van bonbons houd. En zo word je dus een cliché van jezelf.’

‘Er bestaat een Tweede Parijs binnen de Ring,’ schrijft hij in zijn nieuwe boek. ‘Een Parijs waarin men­sen wonen, afgesneden van water en licht.’
Van Dis: ‘Niemand weet hoeveel het er zijn. Tienduizenden, sommigen spreken van meer. Illegalen nemen bezit van huizen die op de afbraaklijst staan, of slapen in dozen onder bruggen. Er bestaan armoepensions waar tientallen families wonen op een paar vierkante meter. Soms gaat zo’n pand in de fik. Eentje heb ik gevolgd, in de Marais. Ik ben in cafés gaan luisteren, met buurtbewoners gaan praten. In mijn boek verheerlijk ik hun verhalen niet, maar een feit is dat er een gigantische landverhuizing gaande is. Er zijn mensen op drift, en ze werken voor ons, we zien ze dagelijks op de een of andere steiger staan. Het oude Europa kraakt in zijn voegen, een nieuwe wereld kondigt zich aan. Over de angsten en verwachtingen die daarbij horen, gaat De wandelaar.’

De trap aflopend, op weg naar het buurtkroegje waar die avond gegeten gaat worden, vertelt Adriaan van Dis, zichtbaar genietend, iets over de geschiedenis van het huis dat hij bewoont. ‘Dit vroeg negentiende-eeuwse pand is gebouwd op de fundamenten van het paleis waar Markies de Sade werd geboren. Hij groeide op samen met een prinsje, maar moest verdwijnen nadat hij het prinsje de oogjes had uit geprikt. Van het paleis rest slechts de kelder en daar bewaar ik nu mijn bescheiden wijnvoorraadje.’

Later, boven de lamsbout – als immer liefdevol bereid door de patron en als immer treurig opgediend door zijn altijd depressieve dochter, zoals Adriaan behulpzaam meedeelt – komt het gesprek op het tweede thema van de roman: het geloof.

‘Dit boek is met een droom begonnen. Een absurde droom. Twee kardinalen stonden voor mijn deur, gekleed in paars met wit kant. Ik liet ze hier binnen in de salon, ze keken naar de kerk aan de overkant, bewonderden de torens en gingen zitten. Ze vertelden dat de paus had doorgekregen dat ik de nieuwe paus moest worden. De keuze was gevallen op mij, want alleen een ongelovige kon nog een appèl doen aan iets wat wij geweten noemen in onze samenleving. Ik begon in mijn droom te razen en te vloeken, zei dat ik absoluut geen lid wilde worden van deze multinational die het condoom verbood. Die flits van een droom heb ik opgeschreven, maar werd op papier natuurlijk veel langer. Ineens betrapte ik me op de gedachte: stel nou dat ik paus zou zijn, wat zou ik dan doen?’Op de vraag of hij van oudsher banden heeft met het katholieke geloof, schudt Adriaan van Dis zijn hoofd. ‘Nee. Het protestantisme ken ik van moederszijde. Van Dis is een zeer protestantse naam, de roemruchte SGP’er ingenieur Van Dis (‘de televisie is een uitvinding van de duivel’) was een niet eens zo ver familielid van mij. Hoezeer ik het arbeidsethos, de soberheid en de maatschappelijke betrokkenheid van de protestanten ook waardeer, het is me allemaal te kaal. Te verstandelijk. Uiteindelijk is het protestantisme de wegbereider van het atheïsme geworden. Door het raadsel te verklaren, houd je nu eenmaal weinig over. Ik geloof ook niet in het raadsel, maar wel in de mens die niet zonder verzinsels kan leven. Het katholieke geloof laat veel ruimte voor mystiek. Heeft me bovendien altijd geïnteresseerd vanwege zijn theatraliteit, mooie kerken en wilde geschiedenis.

Geloof nam een duidelijke plaats in bij ons thuis. Mijn moeder geloofde in heel veel dingen. In yoga, theosofie, antroposofie, I Tjing, kabbalistiek, waarzeggerij en engelen. We aten onbespoten groente en Gaylord Hauser was onze culinaire leidsman, dus alles werd bestrooid met biergist. Niks mooier dan voortdurend op zoek zijn naar Het Hogere Zelf, maar soms heeft het Hogere Zelf last van hormonen, en die bestonden natuurlijk niet. “In alle godsdiensten zit dezelfde kern,” zei mijn moeder altijd. En om dat te bewijzen, las ze met Kerst en met Pasen een stukje uit de Koran, de Tora en de Bijbel voor. En alle predikten dezelfde les: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Later, op mijn reizen, heb ik veel hevig geloof gezien. In Afrika zag ik mensen in tongen praten en geheel buiten zichzelf raken, in Nepal of Bhutan veel indrukwekkende devotie. Door armoe zit er vaak ook niet veel anders op dan je aan God vol te vreten. Het boeit me. Maar ik dans niet mee. Er klinkt altijd een afstandelijke stem in mij. Een kaarsenaansteker ben ik wel. Er moet licht in een kerk branden. Ik doe aan alle tempelspelen mee. Het is nooit weg ergens een mooie wens uit te spreken. Goede gedachten zijn goed voor de gezondheid.

Vier jaar geleden woonde ik een poosje in de buurt van Rue du Cherche Midi, een wijk die in de volksmond Le petit Vatican werd genoemd. Daar ontstond voor het eerst de gedachte aan een boek over een man op zoek naar geloof. Maar uiteindelijk viel mijn personage al zwervend van zijn geloof af. Ik kreeg pas opnieuw greep op mijn boek toen ik een hond verzon als medepersonage. Samen met een hond gaat meneer Mulder, mijn hoofdpersoon in het boek De wandelaar, het andere, nieuwe Parijs verkennen. Het Parijs van de asielzoekers.’

De hond als Harige Heilige, heet het ergens in De wandelaar. ‘De hond,’ zegt Van Dis, ‘is in het boek het geweten van Mulder. De sadistische tweede, de hond in jezelf. Dat aspect van jezelf dat je eigenlijk liever niet ziet. Degene die je in de spiegel ziet als je je vuile onderbroek in de wasmand gooit. Het is de hond waarmee meneer Mulder de tocht maakt naar de Hel, het Inferno. In feite is de hond zijn Vergilius. Ik wil het allemaal niet deftiger maken dan het is. Maar het is wel degelijk door me heen gegaan toen ik het schreef, al heb ik ook bewust geprobeerd om het boek licht te houden. Ik hecht er veel aan om de meest ingewikkelde dingen op een eenvoudige manier te zeggen. Your easy reading is my damned hard writing…’ Dan, opspringend: ‘En nu gaan we de avond afsluiten bij café Flore, dat hoort bij mijn rituelen.’

Even later, uitkijkend over de Boulevard Saint Germain: ‘Mijn boek is uit het asfalt van Parijs opgedampt. Ik heb er tientallen paren schoenen op stukgelopen. De mensen die ik beschrijf, zijn met de jaren tot karakters geworden. Zoals pater Bruno, een priester met wie de hoofdpersoon verwoede discussies heeft over het geloof, en die asielzoekers opvangt in zijn kerk. Die figuur is samengesteld uit vele paters, kerels voor wie ik grote bewondering heb. Nu ik hier zit, kijk ik uit op het huis waar ik als student getraind werd voor een geheime missie in Zuid-Afrika. Ik logeerde toen bij een Ierse priester die samenwoonde met een zwarte vrouw. Ik sliep daar in een zijkamertje en sloop ‘s avonds weg om andere stoute dingen te gaan doen.’

Meneer Mulder, de hoofdpersoon van De wandelaar, is een man zonder voornaam. Van Dis: ‘Mulder is een cynicus, een spotter, bang om zich vuil te maken aan de wereld. Nee, zelf ben ik geen cynicus, eerder een romanticus. Het meisje met de zwavelstokjes, dat sentiment. Het kindje buiten dat niet binnen mag komen. Dat toekijkt hoe anderen taartjes eten en zelf koude voetjes heeft.

Maar de vraag waar het natuurlijk om gaat, is: als ik binnen bij een knappend haardvuur een taartje zit te eten, zou ik zelf dan een vies zwervertje met koude voetjes binnenlaten? Ik hoop het, maar ik betwijfel het. De vraag: hoe gedraag je je als het er op aan komt, intrigeert me mateloos. Daarom laat ik meneer Mulder in allerlei situaties belanden. Meneer Mulder wijst een vrouw in goedkope kleren af vanwege haar slechte smaak. Vindt het een buitengewoon griezelige gedachte als hij ontdekt dat er een vuilnisman boven zijn hoofd woont, want hij huurde zo duur en woonde zo degelijk. Al die kinderachtige dingetjes waar we allemaal vol mee zitten. Deze stad confronteert mij hier voortdurend mee. Ik drink in café Flore een paar drankjes voor een bedrag waar een bijstandsmoeder een week van moet leven. En zelfs terwijl ik dit zeg, schud ik van nee tegen een mevrouw die ons rozen probeert te verkopen en voel ik me al weer schuldig over mijn weigering want misschien wordt ze vanavond wel geslagen als ze niet voldoende rozen heeft verkocht.Dat nee zeggen de hele dag en dan weer zwichten, soms voor het goede en soms voor het slechte, dat zijn processen waar ik niet uit ben. Deze stad brengt mij als wandelaar voortdurend in verwarring. Het heeft natuurlijk ook iets dubieus om je druk te maken over de revolutie in de voorstad terwijl je zelf een appartement bewoont in het luxueuze zesde, maar dat was al het dilemma van Zola. Je hoeft natuurlijk niet zelf schurft te hebben om over de schurft van een ander te schrijven. Misschien schrijf je zelfs beter als je geen schurft hebt. Naipaul heeft ook vanuit een gerieflijke positie over India geschreven.’

De hoofdpersoon van de roman heet Mulder. Dat is ook de naam van de vader van Van Dis. ‘Eerst heette mijn hoofdpersoon Temka. Ik heb zelfs nog op internet nagezocht of het niet per ongeluk de naam van een gemene Poolse SS’er was. Maar ik vond het toch een beetje gekunsteld. Uiteindelijk kwam ik uit bij de naam Mulder, de naam die ik als onecht kind op mijn achttiende kon krijgen. Maar dat wou ik toen niet meer, want die naam was me veel te gewoon. Ik kom uit een familie waarin vijf namen rondgingen, het waren zoveel verschillende namen dat de postbode alle onbestelbare post altijd bij ons in de bus gooide. Mijn eerste boek, Nathan Sid, gaat al over een jongetje dat problemen heeft met zijn eigen naam. Hij heet Sid, maar zijn familie heeft een andere naam. De naam Mulder is eigenlijk een knipoog naar mijn andere boeken. Ik werk nu eenmaal aan een oeuvre en alles heeft met elkaar te maken. Mijn meneer Mulder is soms een onbetrokken nare egoïst. Hij is niet goed in staat tot emotionele contacten, heeft de liefde van zijn leven ontmoet en heeft daarna nooit meer een verhouding aangedurfd. Hij is zo geraakt door het leven dat hij zich totaal heeft opgesloten. Ik ben geen onbetrokken egoïst, maar ik ben wel Mulder in zijn angst en onvermogen. Mulder uit zijn betrokkenheid in de materie. In het fanatiek schoonhouden van zijn huis. Als een Monsieur Propre, het bekende Franse schoonmaakmiddel – dat zou ook een mooie vertaling voor de Franse uitgave zijn. Hoewel, Chien sans papiers zou nog beter zijn. Een sans papiers is een illegaal.

Als meneer Mulder schoonmaakt, heeft hij het idee dat de chaos even bedwongen is, alleen is het niet de chaos van de wereld, maar alleen de chaos van zijn eigen hoofd. Hij zoekt overzicht, properheid, en ook schoonheid in de kunst. Die zal een beter mens van hem maken, denkt hij. Hij raakt ontroerd door een beeldje van Brancusi. Maar hij kan niet met die schoonheid omgaan. Er komt een grote woede in hem op, het liefst zou hij het beeldje vernietigen. Het is ook de woede van een intellectueel die niet om kan gaan met andermans ellende en dan maar de hele boel kort en klein wil trappen. In die zin raakt de woede uit de voorsteden ook de keurige meneer in het zesde arrondissement.’

De volgende ochtend is het tijd voor een wandeling door de buurt. Met grote benen stapt Adriaan van Dis door de stad. ‘Ik neem nooit de metro. Ik doe hier alles te voet, ben in Parijs meer dan twintig kilo afgevallen. Nou ja, inmiddels zit er ook wel weer wat aan.’De tocht voert eerst naar de Jardin du Luxembourg, de openbare privétuin van de Senaat. ‘Ik maak altijd dezelfde wandeling. Niets is zo mooi als de liturgie van de herhaling. Ik weet inmiddels waar de vogels hun geheime drinkplekje hebben in de wortels van een chinese boom. Ik loop elke dag in de tuin, regen of zonneschijn. Behalve als het sneeuwt, dan mag je er van de Senaat niet in. De wandelaar zou zijn nek kunnen breken. Of als het stormt, dan gaan de hekken ook dicht, de wandelaar zou een tak op zijn hoofd kunnen krijgen. Er staan tweehonderd verschillende appel- en perenbomen, allemaal gekneveld, vastgepend in de meest bizarre vormen. Het park wordt geregeerd als een land, geregeerd met een snoeimes, en geen boom die tegenspreekt. Lawaaiige zwervers mogen er niet in, je mag er niet eens picknicken. Op warme dagen ga ik er vaak met vrienden heen. Ik heb daar speciaal een mand voor waarin ik de champagne, de glazen en de lekkernijen verstop. Als je het heel netjes doet mag het, maar op het gras mag niet gelopen worden en de hond mag niet los. Ik heb in Parijs een intens verlangen gekregen naar echte natuur. Wil na Parijs weer in het groen gaan wonen. Ik wil weer een moestuin, zoals ik ooit had. Ik liep toen ‘s zomers met een leeg yoghurtbakje naar buiten om frambozen te plukken en oogstte zevenendertig kroppen sla per week. Niemand mocht de deur uit zonder sla mee te nemen. Op den duur wil ik toch weer een tuin in Nederland waar ik in de grond kan wroeten. Natuur maakt me zachter. Tijdens mijn wandelingen heb ik veel steen gezien, teveel soms. Vooral in de buitenwijken, waar alles vierkant is en de grote ruimtes kaal en afgetrapt. Ik wens mensen geen huizen toe die gebouwd zijn met de fantasie van een cipier, huizen die uitstralen: hier, dit is voor jullie, de mindere soort.’

Ja, ik ben echt kwaad. Ik heb me altijd betrokken gevoeld bij de “ander”, omdat mijn familie vroeger bij die “ander” hoorde, de Indische Nederlanders. Mensen die een wereldreis achter de rug hadden, verantwoordelijke posities hadden bekleed, maar in Nederland het maatschappelijk werk over zich heen kregen en moesten leren wat een huishoudboekje was. Mensen die hun status hadden verloren en een nieuwe plek zochten.’ Zegt dan: ‘Kom mee, ik moet je nog wat laten zien.’
We lopen terug, richting boulevard Saint Michel. Van Dis slaat een zijstraat in, wijst op de duurste traiteur waar de mensen zondag voor in de rij staan, slaat de hoek om en wijst: ‘Kijk, en daar is een Soupe, de Franse gaarkeuken. Daar wordt eten verstrekt aan daklozen. Sommigen schrokken het daar op, anderen nemen het als een dier mee naar hun eigen plek. Het thema van mijn boek is nu, in de winter, nog actueler geworden.

Er is een initiatief gelanceerd om de daklozen tenten te geven. Bij het Canal Saint Martin staat een rij van een halve kilometer. Ook op de linker oever, bij de Quai d’Orsay, staat zo’n treurige lange rij. Ik heb met sommige bewoners gepraat, de meesten zullen nooit recht hebben op een huis in Frankrijk, Poolse arbeiders, Zweedse dronkelappen. Er is ook een groep die helemaal niet geholpen wil worden, die blijft zwerven. Voor hen is de wereld gewoon te moeilijk en te ingewikkeld. Wist je trouwens dat volgens een onderzoek 48 procent van de Fransen bang is ooit op straat te belanden en dakloos te worden? Tussen de 35 en 49 jaar is dat zelfs 62 procent. Een diepe angst die nergens op gebaseerd is.

”Diep in mij schuilt een tassenvrouwtje,’ zei Van Dis zelf tien jaar geleden. Hoe groot acht hij die kans nu? ‘Er zijn nog steeds dagen dat ik geen post open, maar ik hecht nu sterk aan een rituele ordening. Leid een overzichtelijk bestaan. Ik heb van alles uitgevroten in mijn leven, maar weet nu, na schade en schande, dat om te schrijven je leven zo overzichtelijk moet zijn als het vlak van je schrijftafdel, om met Flaubert te spreken. Het grote leven ga ik nu aan op papier. Misschien heeft dat alleenleven van mij daar ook mee te maken. Ik heb eenzaamheid nodig om te kunnen werken. En daar heb ik nu, na al die jaren, een soort vrede in gevonden. Dat beschouw ik als een overwinning, al zou ik het soms wel anders willen. Er is een grote liefde op afstand, een vrouw die ik met een ander deel. Elk woord daarover is een woord teveel.’

Nog een laatste keer terug naar het boek. Meneer Mulder begint steeds vaker te denken: ‘Ik wil iets doen.’ Adriaan van Dis: ‘Ik ben er van overtuigd dat steeds meer mensen dat gevoel hebben. We zullen onze rijkdom anders moeten gaan verdelen, dat is een kwestie van fatsoen. Als wij vinden dat we voor de Verlichting zijn, dan zullen wij open moeten staan voor de vreemdeling. Slechts negen procent van de wereldbevolking is blank. Wat ik in mijn boek wil zeggen: kijk eens om je heen. Ik heb geen oplossingen. Hoed je voor schrijvers met oplossingen. Maar ik laat meneer Mulder daar wel over nadenken. En hij probeert ook iets te doen. En dan gebeurt er wat iedere schipper weet: als je slechts een paar graden van koers verandert, kom je in een andere haven aan.’

Gevraagd naar wat hij gelooft, zegt meneer Mulder: ‘Ik geloof in de hoop omdat er niks anders opzit.’ En vervolgens barst hij los in een superieure geloofsbelijdenis. ‘Ik geloof in de verbeelding van mensen. In een paar geniale uitvinders die onze hersens oprekken en ingesleten sporen verbreden om ons bestaan op aarde te veraangenamen. Ik geloof in de mensen die zich met schoonheid omringen. In mensen die dingen maken. Dingen om de dingen. Met hun handen. Met hun hoofd. Met hun passie. Mensen die aan een veer trekken om een slot te laten openspringen zodat mijn wanhoop, drift en geluk kunnen ontsnappen. Ik geloof niet in plannen van boven. De mens is zijn eigen plan. Ik geloof in de mens die er per ongeluk is en er het beste van probeert te maken.’

Adriaan van Dis luistert. Zwijgt. Zegt dan: ‘Nou ja, eigenlijk heb ik gewoon een optimistisch boek geschreven.’

Tags: